
Daar stond ze, behoorlijk geirriteerd aan het hek.
“Hoi, welkom fijn dat je er bent!” begroette ik haar opgewekt.
“Hmpffff ja ja, ik heb hier dus ff he-le-maal geen zin in hé, als je dat maar weet!”.
Oke, welke kant gaat dit op, denk ik. Ik besluit heel even aan te sluiten met de woorden, ja het is ook wat in die klote wind dat hele eind te moeten fietsen. Ja dat ook, was het nukkige antwoord. Ik leg kort uit wat coachen met paarden inhoud en denk bij mezelf dat het het handigste is om snel aan de slag te gaan.
Boos kijkt ze naar het paard. “Doe het dan! Doe dan waar je zo goed in bent!” roept ze naar mijn trouwe harige collega. En het paard kijkt alleen maar terug, zucht eens, en blijft tegenover haar staan en haar aankijken.
“Zie je wel dat het bij mij niet werkt, kijk maar hij doet niets, he-le-maal niets!”
Ik hoor haar en ik zie haar, en vraag haar wat ze op dit moment voelt. “Joh geen idee, ik kan niet voelen, maar euh dat kan hij je toch vertellen”. En ondertussen gaat er een priemende vinger naar het paard.
“Ja dat kan, en dat doet hij ook, maar hij wil dat jij het ook voelt en doet.” Ze haalt een keer diep adem, kijkt me boos aan en zegt, “je snapt toch wel dat dat niet kan.”
En ja dat snap ik, het is te groot, te pijnlijk om in een keer te doen. Ik begrijp het volkomen en vertel haar dat ook. We spreken af dat we kleine stapjes gaan maken. “Nou dat zien we nog wel even”. Is het afwerende antwoord.
En daar staat ze, volledig weg van zichzelf, en volledig onder invloed van god weet niet wat.
Het volgende kleine stapje wat we nemen is ademen en proberen te landen als is het maar met een kleine teen in het hier en nu. Meer doen we niet.
Na de sessie drinken we wat en gaat ze weer op pad. Ik denk, terwijl ik haar nakijk, die komt nooit weer. Tot ik na drie dagen een telefoontje krijg van de psycholoog waarmee ik samenwerk en via wie de dame is gekomen mij opbelt en zegt : “Ik kreeg een berichtje dat ze niet meer wilt praten, ze wil alleen nog maar bij de paarden”. Ik glimlach en zeg zachtjes, “hij deed het toch!”
